Wat te doen bij.nl – Begrip opbrengen voor de problemen van stotteraars

Wat te doen bij.nl – Begrip opbrengen voor de problemen van stotteraars

Het was traditie in het gezin om op erg warme dagen naar de plaatselijke ijssalon te gaan. Carls favoriete ijsje was een bananen-pistache hoorn. ’In mijn klamme vuist hield ik de gladde munt geklemd die mijn vader mij had gegeven. Mijn hart bonsde en ik voelde hoe het zweet langs mijn gezicht begon te stromen. Ik wilde wanhopig graag Vader vragen mijn hoorn te bestellen, maar ik was er inmiddels wel achter wat hij dan zou zeggen. Hij had het in het verleden vaak genoeg gezegd: „Als je de hoorn zo graag wilt, bestel je hem zelf.” Telkens opnieuw nam ik hem dat hoogst kwalijk. Wist hij niet hoeveel pijn hij mij daarmee deed? Ik stond in stilte te beven voor dat hoge, glimmende, verchroomde buffet. Op het puntje van mijn tenen kon ik net de bovenkant bereiken om mijn zweterige muntstukje te overhandigen aan de middelbare-schooljongen met het grijnzende, pokdalige gezicht.
„Welke smaak, joh?”
„Ik wil ba . . . geef maar bbbaa . . . de ba ba ba. . . .”
Mijn lippen klemden zich stijf op elkaar en ik worstelde in stilte verder. Ik kon de knul over mijn hoofd naar Vader zien kijken. Het was de blik die alle stotteraars zo goed herkennen. De blik die zei: „Kunt u helpen? Dit joch schijnt een stuip te hebben en hij maakt me zenuwachtig.” Natuurlijk verergerde dit mijn geworstel totdat ik zowat stikte van woede en verlegenheid en naar adem hapte. Ten slotte stootte ik er in één keer „bananen-pistache” uit. Mijn hele lichaam deed me pijn, maar het was gelukt.’ — The Best of Letting Go, Newsletter, San Francisco, Californië, VS
ALS u daar had staan kijken terwijl de jonge Carl dat ijsje bestelde, hoe zou u dan gereageerd hebben? Dr. Oliver Bloodstein, die de afgelopen 37 jaar een studie gemaakt heeft van het stotterprobleem, maakt de interessante opmerking dat „tenzij ze er een speciale reden voor hebben, niet-stotteraars zelden begrijpen hoe beangstigend en frustrerend stotteren is”. Ja, voor veel stotteraars is de spraak een obstakel dat voortdurend intense ongerustheid of angst teweegbrengt.
Komt u daarentegen gemakkelijk uit uw woorden? Zo ja, dan vindt u deze angst wellicht moeilijk te begrijpen. Waarom? Omdat spreken niet iets is waar de meesten van ons zich zorgen over maken. Wanneer wij honger hebben, gaan wij een restaurant binnen en bestellen een maaltijd. Als wij een cadeautje willen kopen, vragen wij eenvoudig een winkelbediende om hulp. Als onze telefoon gaat, nemen wij hem zonder aarzelen aan. Maar voor personen die stotteren, kunnen dergelijke alledaagse voorvallen tot een complete nachtmerrie worden.
’Maar is het probleem werkelijk zo ernstig?’ vraagt u misschien. Wel, hebt u zich ooit afgevraagd hoe het leven eruitziet voor iemand die stottert? Laten wij, om zijn benarde situatie beter te begrijpen en meer medegevoel te krijgen, ons eens verplaatsen in die innerlijke wereld — zijn gevoelsleven.


De innerlijke wereld
Joe: „Ik noem stotteren geen spraakgebrek; ik noem het een beletsel voor het leven. Het belet ons normaal te functioneren. Het belemmert ons in onze aspiraties op het gebied van onderwijs, onze beroepskeuze, onze intermenselijke contacten. Ik ken mensen die niet zijn getrouwd . . . zij hebben geen vrienden. Zij gaan anderen uit de weg, zij zijn vervreemd, zij zijn uit de gemeenschap verbannen.”
Donna: ’Ik stotter sinds ongeveer mijn negende jaar. Toen ik 27 was, was het zo erg dat ik thuis nooit de telefoon aannam. Ik ben doodsbenauwd omdat u gaat vragen hoe ik heet, en ik zal het u moeten vertellen, en „Donna” zeggen is heel moeilijk voor mij. In twee jaar tijd heb ik 122 keer andere namen gebruikt.’
Anoniem: ’De beste manier waarop ik u kan vertellen hoe mijn stotteren mijn leven beheerst, is u enkele dingen te schrijven die er vandaag zijn gebeurd. Tot het ontbijt voelde ik mij prima, omdat ik niet hoefde te praten. Ik ging in de zaak op de hoek ontbijten omdat ik mij had verslapen, of beter gezegd gewoon in bed had gelegen omdat ik vreselijk tegen de dag opzag. Ik wilde koffie en broodjes, maar ik bestelde melk en havermout omdat ik wist dat ik erg zou stotteren bij die andere woorden en ik niet wilde dat de vrouw die mij bediende medelijden met mij zou hebben. Ik haat havermout.
Tijdens de les gaf de docent mij een beurt, en hoewel ik het antwoord wist, hield ik mij van de domme en schudde nee, en ik voelde mij verschrikkelijk. Na de les haastte ik mij naar de bibliotheek, pakte een boek en deed alsof ik hard aan het studeren was wanneer er iemand voorbijliep die ik kende.
Ik ben blut en ik schreef een brief aan mijn vader waarin ik om geld vroeg. Ik wilde de brief per expresse versturen, maar ik herinnerde mij de laatste keer dat ik voor hetzelfde doel naar het postkantoor was gegaan en er maar geen eind scheen te komen aan het exp-p-p-p-p-p, en de lokettist ongeduldig werd, en de mensen in de rij achter mij ook, en wel, ik kon het niet opbrengen; daarom haalde ik een gewone postzegel uit een automaat en verzond de brief. Ik heb nog dertig cent over om van te eten.’
W. J.: „Ik ben een stotteraar. Ik ben niet zoals andere mensen. Ik moet anders denken, anders handelen, anders leven — omdat ik stotter. Net als andere stotteraars, net als andere ballingen, koester ik al mijn hele leven één groot verdriet en één grote hoop, en die hebben mij gemaakt tot de soort van persoon die ik ben. Een onwillige tong heeft mijn leven gevormd.”
Anoniem: „Ik werkte als stoker op een locomotief op een rangeerterrein. Op een dag gebruikten wij een stuk van het hoofdspoor om enkele wagons te rangeren. Wij wisten niet beter of er zou het komende half uur geen trein over dat spoor komen. Ik keek naar buiten om iets te controleren en zag plotseling een goederentrein recht op ons afkomen. De machinist op onze loc was bezig op de bok. Ik probeerde het hem te zeggen, maar ik kon geen woord uitbrengen. Ik kon zelfs niet stotteren voordat het te laat was. De goederentrein reed niet erg snel, maar beide locomotieven werden vernield. Niemand werd gedood, maar mijn collega verloor een been. Ik heb het mezelf nooit vergeven. Had ik hem maar kunnen waarschuwen.”
Vijf mensen. Hun gedachten en ervaringen geven ons op zijn minst enig inzicht in de frustratie, de angst en de vernedering die stotteraars misschien elke dag van hun leven onder de ogen moeten zien. Vermenigvuldig deze ervaringen nu eens met naar schatting 15 miljoen levens. Beseft u wat beter waarom stotteren een werkelijk obstakel kan zijn?
Als u een vriend hebt die stottert, waarom zou u hem dan niet vragen hoe hij over de kwestie denkt? U zult misschien versteld staan te horen hoeveel moed en vastberadenheid er zelfs gewoon in de routine van alledag nodig zijn.

Geef blijk van medegevoel
Hoe moet u, aangezien deze stoornis de slachtoffers ervan zowel in psychologisch als in emotioneel opzicht diepgaand beïnvloedt, met zulke personen omgaan? Moet u medelijden met hen hebben, hen als het ware met fluwelen handschoenen aanpakken? Moet u hen anders behandelen? Hier volgen enkele commentaren van personen die door deze stoornis worden of werden geplaagd.

HOUD ONS ALSTUBLIEFT NIET VOOR DE GEK. De 29-jarige Frank heeft sinds zijn tiende jaar problemen met stotteren. „De mensen moeten begrijpen dat stotteraars nog altijd gevoelens en emoties hebben en behandeld moeten worden als mensen, en niet voor de gek moeten worden gehouden”, zegt hij. „Stotteraars hebben een probleem, dat is alles. Iedereen heeft wel een of ander probleem, en toevallig is stotteren het mijne.” Een bekende columniste bij een krant heeft eens de uitspraak gedaan dat stotteren, omdat het geen bedreiging voor het leven vormt, de enige handicap schijnt te zijn waarmee openlijk de spot wordt gedreven. Robert geeft toe dat zijn vrienden hem wel eens goedmoedig plagen om de manier waarop hij spreekt. „Het doet me niets,” zegt hij glimlachend, „omdat ik weet dat het allemaal maar als grapje bedoeld is.” Natuurlijk is iedereen verschillend, en sommige stotteraars vinden het misschien helemaal niet erg om een beetje geplaagd te worden. Maar bent u het er niet mee eens dat het verstandiger is van medegevoel blijk te geven en stotteraars te behandelen zoals u zelf behandeld zou willen worden als u in hun schoenen stond?
HEB ALSTUBLIEFT GEEN MEDELIJDEN MET ONS. Terwijl een stotteraar beslist waardering zal hebben voor begrip, zal hij aanstoot nemen aan medelijden. „Wij willen niet dat mensen ons zielig vinden; wat wij wel nodig hebben, is hun geduld”, zegt Carol, die zo’n 25 jaar gestotterd heeft. „En ik wil niet dat mensen medelijden met mij hebben omdat ik stotter”, voegt Kate, die nu in de zestig is, eraan toe. „Ik wil dat zij mij beschouwen als een individu en dat zij beseffen dat er ergere problemen bestaan dan stotteren. Stotteren is slechts een kleine onvolkomenheid.”
DENK ALSTUBLIEFT NIET DAT WIJ DOM OF NEUROTISCH ZIJN. „Ik wilde dat de mensen niet al te ijverig zouden proberen het probleem te ontleden of er zich in te verdiepen en de psycholoog uit te hangen”, zegt Robert. „En wees niet bang voor ons”, zegt Carol. „Wij zijn niet ’besmettelijk’. Ik bedoel, wij zijn geen gevaar waartegen moeders hun kinderen moeten beschermen. Ik wou dat mensen stotteraars met waardigheid en respect zouden bezien. Wij zijn even intelligent als anderen. Wij kunnen gewoon niet zeggen wat wij willen, dat is alles. En alle handelingen, bewegingen en krampachtige gebaren maken gewoon deel uit van de inspanning om het woord eruit te krijgen.”
’Het is goed te weten hoe stotteraars zich voelen’, zegt u misschien, ’en dit zal mij in de toekomst helpen. Maar ik vraag mij af: Hoe slagen zij erin zich staande te houden?’ Dit is een goede vraag, die beslist een beschouwing waard is.

Het obstakel overwinnen
Bent u erg gesteld op iemand die stottert? Denkt u er net zo over als deze jonge vrouw, die over haar vriend zei: „Hij is een prachtig, warm en zorgzaam mens. Hij heeft zoveel te geven, maar hij kan zich niet uiten”? Als u er zo over denkt, verlangt u evenzeer naar een remedie als het slachtoffer.
Het zou inderdaad geweldig zijn als u tegen een stotteraar kon zeggen: ’Doe gewoon dit of dat. Het werkt altijd!’ Maar zo is het nu eenmaal niet. Stotteren is zo’n ingewikkelde stoornis, en elke stotteraar is een individu met individuele noden. Daarom hoeft iets wat één persoon kan helpen zijn stotteren onder controle te brengen, niet hetzelfde resultaat te hebben bij een ander.
Er bestaat derhalve geen twijfel over dat men zich over de toekomst geen zorgen hoeft te maken. Maar hoe staat het er nu voor? Robert, Mae, Kate en andere lotgenoten doen hun uiterste best zo goed mogelijk met hun probleem te leven. Zal de last van de verantwoordelijkheid alleen op hun schouders blijven rusten? Wij hopen van niet. Wij kunnen hen helpen door hun respect te betonen. Wij kunnen altijd vriendelijk en begrijpend en geduldig zijn. Wij kunnen luisteren naar wat zij zeggen. Ja, het gemak waarmee zij hun probleem aanvaarden is vaak afhankelijk van onze bereidheid om begrip te tonen voor de handicap van de stotteraar.

Zie het volgende interview voor enkele aspecten van behandeling en zelftherapie, alsook het artikel „Een spraakgebrek dat kan worden gecorrigeerd”

„Ik wou dat mensen stotteraars met waardigheid en respect zouden bezien”

„Luisteraars helpen stotteraars het best wanneer zij reageren op wat de stotteraar zegt in plaats van erop te letten hoe hij het zegt.” — Dr. Oliver Bloodstein, spraakpatholoog

„Spreken is zilver, zwijgen is goud”
Naar verluidt is dit oude spreekwoord van oosterse oorsprong. Het Hebreeuwse equivalent is: „Als een woord één sikkel waard is, is zwijgen er twee waard.” — Brewer’s Dictionary of Phrase and Fable
Een wijze man uit de oudheid drukte het kernachtig uit: „Alles heeft zijn uur en tijd, alles in dit leven. Er is  . . .  een moment voor zwijgen en een moment voor spreken.”

Hebt u zich ooit afgevraagd hoe het leven eruitziet voor iemand die stottert?

Incoming search terms:

This entry was posted in Overig and tagged , , . Bookmark the permalink.

Geef een reactie